Meest gestelde vragen
Wat is de Europese Richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD)?
Hoe staat Nederland tegenover implementatie van de richtlijn?
Aan welke verplichtingen voldoet Nederland al?
Aan welke onderdelen voldoet Nederland nog niet?
Wanneer gaat Nederland de resterende onderdelen invoeren?
Wat vindt Brussel van de voorgestelde Nederlandse aanpak?
Hoe ver zijn de andere landen met de invoering van de EPBD?
Welke voordelen zijn verbonden aan de invoering van de resterende EPBD-onderdelen?
Wordt het energieprestatiecertificaat verplicht voor alle gebouwen?
Hoe zal het energieprestatiecertificaat er uit gaan zien?
Welk belang heeft het verplichte energieprestatiecertificaat als het er eenmaal is?
Wat is de Europese Richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD)?
Op 4 januari 2003 is de EPBD (Energy Performance of Buildings Directive) gepubliceerd. Deze EU-richtlijn - in het Nederlands: de Richtlijn energieprestatie van gebouwen - moet leiden tot verbetering van de energieprestaties van de gebouwen in de Europese Gemeenschap.
Volgens de richtlijn moeten de lidstaten:
- Een algemeen kader opstellen voor een methodiek voor de berekening van de geïntegreerde energieprestatie van gebouwen;
- Minimumeisen stellen aan de energieprestatie van nieuwe gebouwen en van bestaande grote gebouwen (met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1000 m2) die een ingrijpende renovatie ondergaan;
- De energiecertificering van gebouwen regelen; bij bouw, verkoop en verhuur moet de eigenaar een energieprestatiecertificaat overleggen van maximaal tien jaar oud;
- De haalbaarheid laten onderzoeken van alternatieve systemen (duurzame energie) bij nieuwbouw met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1000 m2;
- cv-ketels en airconditioningsystemen in gebouwen periodiek laten inspecteren op rookgasuitstoot en energie-efficiëntie;
- Verwarmingsinstallaties met een ketel > 20 kW en ouder dan vijftien jaar geheel laten keuren.
Verder moeten gebouwen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1.000 m2 waarin publieke diensten worden geleverd voorzien zijn van een zichtbaar energieprestatiecertificaat. Het energieprestatiecertificaat en de periodieke inspectie moeten op onafhankelijke wijze tot stand komen.
Hoe staat Nederland tegenover implementatie van de richtlijn?
Nederland onderschrijft oogmerk en doel van de richtlijn volledig, vanuit de noodzaak tot energiebesparing en het waarborgen van de leveringszekerheid van energie. Het Nederlandse energiebesparingsbeleid voor de gebouwde omgeving is ook ambitieus. De afgelopen jaren heeft dit beleid zich gericht op verbetering van de energetische kwaliteit van de nieuwbouw door energieprestatie-eisen en op verbetering van de energetische kwaliteit van de bestaande voorraad door gerichte subsidies en door communicatie.
Aan welke verplichtingen voldoet Nederland al?
Nederland voldoet al aan een aanzienlijk deel van de richtlijn. Zo kent Nederland al een rekenmethodiek voor het bepalen van de energieprestatie van gebouwen en beschikt Nederland al over wettelijke voorschriften voor de energieprestatie bij nieuwbouw en renovatie. Deze energieprestatie-eisen worden periodiek herzien. Voor de bestaande bouw kent Nederland minimumeisen op het punt van isolatie en ventilatie. Inmiddels zijn de energieprestatie-eisen voor nieuwbouw zo streng dat bij alle gebouwen al alternatieve energiesystemen moeten worden overwogen bij het ontwerp. Ook op dit punt voldoet Nederland dus al aan de richtlijn. Ook kent Nederland al een periodiek keurings- en onderhoudsregime voor cv-ketels met een vermogen van meer dan 100 kW.
Aan welke onderdelen voldoet Nederland nog niet?
Het overleggen van een energieprestatiecertificaat bij bouw, verkoop en
verhuur van gebouwen.
Periodieke inspectie van:
1. cv-ketels met een vermogen van 20-100 kW die werken op niet-hernieuwbare
vaste of vloeibare brandstof (dus kolen en olie)
2. cv-ketels met een vermogen van meer dan 20 kW die ouder zijn dan vijftien
jaar;
3. airconditioninginstallaties met een koelvermogen van meer dan 12 kW.
Wanneer gaat Nederland de resterende onderdelen invoeren?
De invoering van de resterende onderdelen brengt hoge administratieve lasten
met zich mee, zo is gebleken uit onafhankelijk onderzoek. Dit feit staat op
gespannen voet met het streven van de Nederlandse regering om de administratieve
lasten te verminderen. Daarom heeft de ministerraad in augustus 2005 besloten om
de richtlijn niet op korte termijn in te voeren.
Nederland heeft onderzocht hoe de invoering van de resterende onderdelen
gecombineerd kan worden met andere maatregelen ter stimulering van een betere
energieprestatie van gebouwen. Door deze combinatie kan tegen geringere
administratieve lasten een grotere verbetering van de energieprestatie van
gebouwen bereikt worden dan door alleen de resterende onderdelen uit de
richtlijn in te voeren. Dit proces vergt tijd. Daardoor is het niet mogelijk
gebleken om in januari 2006 de resterende onderdelen van de richtlijn om te
zetten in wet- en regelgeving.
VROM heeft de richtlijn omgezet in Nederlandse wetgeving met het Besluit
energieprestatie gebouwen en de daarop gebaseerde Regeling energieprestatie
gebouwen. Begonnen zal worden met de opleidingen van toekomstige adviseurs en de
certificering van bedrijven die energieprestatiecertificaten mogen uitgeven. Als
er voldoende gecertificeerde adviseurs zijn, zal de verplichting tot het
overleggen van een energieprestatiecertificaat bij transactie ingaan. Deze
verplichting zal naar verwachting uiterlijk op 1 januari 2008 ingaan.
Woningcorporaties die alle gebouwen in hun eigendom in één keer voorzien van een
energieprestatiecertificaat, zijn tot 1 januari 2009 niet verplicht om bij
transactie een certificaat te laten opstellen. Het voorschrift om een
energieprestatiecertificaat aan te brengen in grote voor het publiek
toegankelijke gebouwen zal naar verwachting 1 januari 2009 in werking treden.
Wat vindt Brussel van de voorgestelde Nederlandse aanpak?
Nederland heeft de Europese Commissie hiervan op de hoogte gebracht. Nederland heeft daarbij aangegeven, oogmerk en doel van de richtlijn te accepteren en al te voldoen aan een groot deel van de richtlijn. Nederland heeft ook gemeld, de overige onderdelen te willen invoeren met minimale administratieve lasten en maximale maatschappelijke baten door combinatie met andere maatregelen ter stimulering van een betere energieprestatie van gebouwen. De Europese Commissie heeft Nederland in gebreke gesteld wegens het niet tijdig omzetten van de richtlijn in Nederlands recht. De Regeling energieprestatie gebouwen is ter notificatie voorgelegd aan de Europese Commissie. Daarin staat beschreven hoe Nederland het verplichte energieprestatiecertificaat wil invoeren.
Hoe ver zijn de andere landen met de invoering van de EPBD?
De EPBD had op 4 januari 2006 volledig omgezet moeten zijn in nationale wetgeving. In 21 van de 25 lidstaten, waaronder Nederland, was dat toen nog niet het geval. Op 4 januari 2006 hadden tien lidstaten de richtlijn geheel of gedeeltelijk ingevoerd in wet- en regelgeving. Dat waren: Duitsland, Italië, Portugal, Oostenrijk, Denemarken, Litouwen, België, Letland, Polen en Slowakije. Diverse van deze landen hebben overigens de intentie om de daadwerkelijke toepassing van belangrijke onderdelen van de richtlijn (zoals het energieprestatiecertificaat) maximaal drie jaar uit te stellen, dus tot uiterljk 1 januari 2009.
Zijn er voordelen verbonden aan de resterende EPBD-onderdelen?
Invoering van de resterende onderdelen van de richtlijn (zoals het energieprestatiecertificaat) brengt naast administratieve lasten ook positieve effecten met zich mee op het vlak van energiebesparing en werkgelegenheid, omzet en investeringen. In opdracht van VROM wordt momenteel onafhankelijk onderzoek gedaan naar de kosten en baten van het implementatietraject.
Wordt het energieprestatiecertificaat verplicht voor alle gebouwen?
Nee, voor enkele categorieën zal deze verplichting niet gelden. De certificaatplicht geldt alleen voor gebouwen die energie gebruiken om het binnenklimaat te regelen.
Hij geldt dus niet voor:
- woonwagens
- onverwarmde logiesgebouwen
- gebouwen met een industriefunctie
- gebouwen met een overige gebruiksfunctie (zoals schuurtjes en garages)
- tijdelijke bouwwerken (zoals bouwketen, noodwinkels, noodlokalen bij scholen, directie- en schaftlokalen op bouwplaatsen)
- monumenten
- gebouwen die worden gebruikt voor eredienst en religieuze activiteiten
- alleenstaande gebouwen met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2
Voor kleine wooneenheden in een appartementengebouw of geschakeld aan een rij eengezinswoningen is bij transactie wel een energieprestatiecertificaat vereist. Er bestaat de mogelijkheid om een energieprestatiecertificaat af te geven op basis van representativiteit. Bij een appartementengebouw bijvoorbeeld kan de adviseur die het certificaat opstelt, gebruik maken van specifieke gegevens van een representatief appartement. Dat kan de kosten van het nieuwe certificaat aanzienlijk drukken. Bij bijvoorbeeld sterk op elkaar gelijkende eengezinswoningen kan de adviseur gebruikmaken van de opnamegegevens van een representatieve woning. Zo is ook kostenbesparing mogelijk. Wel moet voor elke woning bij transactie een eigen certificaat opgesteld worden. Verder wil Nederland met het oog op beperking van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven voor twee categorieën gebouwen een speciale aanpak kiezen. De eerste categorie betreft gebouwen waarvoor een EPC-berekening is opgesteld in het kader van de bouwaanvraag. Hiervoor zal de bouwvergunning naar verwachting gedurende maximaal tien jaar na vergunningverlening als energieprestatiecertificaat gelden. Daarnaast werkt VROM aan een overgangsregeling voor het energieprestatieadvies (EPA). Een gecertificeerd EPA met een adviesdatum tussen 1 juli 2002 en de ingangsdatum van de certificaatverplichting komt naar verwachting gedurende maximaal tien jaar na adviesdatum in de plaats van het energieprestatiecertificaat. Een en ander uiteraard onder het voorbehoud dat de Europese Commissie instemt met de Nederlandse aanpak.
Hoe zal het energieprestatiecertificaat er uit gaan zien?
Het energieprestatiecertificaat zal gebouwgegevens bevatten en de
energetische kwaliteit van het gebouw aangeven door middel van een getal (de
berekende energie-index) en een label. Dit label krijgt waarschijnlijk een
vergelijkbare vormgeving als de bekende labels voor witgoed en auto's. Het
energieprestatiecertificaat en het label betreffen uitsluitend de
energieprestatie van een gebouw en mogen niet gezien worden als een 'APK' voor
gebouwen.
Het energieprestatiecertficaat zal vergezeld gaan van een indicatief lijstje met
mogelijke vrijwillige maatregelen om de energetische kwaliteit van het gebouw te
verbeteren. Nederland zal de bepalingsmethode voor het
energieprestatiecertificaat zodanig kiezen dat de kostprijs voor burgers en
bedrijven beperkt zal blijven.
Welk belang heeft het verplichte EPA als het er eenmaal is?
EPA blijft als maatwerkadvies in het kader van het klimaatbeleid belangrijk voor gebouweigenaren met het oog op energieprestatie, comfort en portemonnee, vooral als de gebouweigenaren daadwerkelijk maatregelen nemen ter verbetering van de kwaliteit van het gebouw.
Bron: SenterNovem
